64

 

 

 

 

In haar huis naast de spoorlijn ontkurkte Vera een fles rode wijn. Ze ging bij het open keukenraam zitten tot alle kleur uit de heuvels was weggetrokken, en tegen die tijd was de fles bijna leeg. Toen het effect van de wijn voelbaar werd, werd ze niet overvallen door twijfels over het onderzoek, maar door herinneringen aan Constance Baikie. Ze had een foto van de vrouw zoals ze haar de laatste keer had gezien: breeduit op haar bank. Met haar sluwe zwarte ogen keek ze Vera aan. Sinds de dood van haar vader had ze vaak aan hem gedacht. Met woede, schuldgevoelens, en nu en dan een flits van aarzelende genegenheid. Hij was gezelschap geweest, iemand om mee te praten. Aan Connie had ze eigenlijk nooit meer gedacht, tot die dag dat ze druipend van de regen Baikie’s Cottage was binnengelopen om de moord op een jonge vrouw te onderzoeken, en toen waren alle herinneringen weer bovengekomen.

Terwijl ze haar tweede glas leegdronk, kwam het voor het eerst in Vera op dat Hector en Connie misschien minnaars waren geweest. Ze had hem tenslotte nooit met een andere vrouw gezien. Ze verwierp de gedachte bijna onmiddellijk. Hun gemeenschappelijke passie was het illegale verzamelen geweest, de stiekeme obsessie die hen voor het krieken van de dag de heuvels in voerde om vogels van hun jongen te beroven, de nesten leeg en kil achter te laten. Ze hadden de heimelijke opwinding gedeeld. Ze werden naar elkaar toe gedreven door het gevaar van chantage waaraan ze zich blootstelden en dat een bedreiging vormde voor hun reputatie en carrière. Dat had niets te maken gehad met liefde of zelfs maar vriendschap.

Toen, bijna op hetzelfde moment dat ze bedacht dat ze niets meer had gegeten sinds Edies brood met kaas tussen de middag, bedacht ze dat de moordenaar die ze zocht misschien even obsessief was. Eerst was de dochter en toen de vader vermoord. Zoals Hector achtereenvolgende legsels uit hetzelfde nest had weggepakt. Er was geen aanwijsbaar motief, maar wel bewijs van nauwkeurige voorbereiding, vooral voor Edmunds dood. Achter de moorden zag ze een passie die even intens en irrationeel was als die welke haar vader had gedreven, die zijn gezond verstand had vertroebeld, hun beider levens had verwoest. Maar vóór de dood van zijn vrouw was Hector heel anders geweest. Ze had foto’s van hem gezien waarop hij praatte met vrienden, lachte. Zelfs later had hij zich tot aan zijn pensioen weten te handhaven in een fatsoenlijke baan. Men had hem een tikje excentriek gevonden, een eenzelvig mens, maar niet bedreigend. Ze zou moeten zoeken naar iemand met een verborgen obsessie, en als ze wist wat die inhield, zou ze misschien weten waarom Grace en Edmund waren vermoord.

Haar mobieltje ging over. Ze kwam tot bezinning en dacht: wat een flauwekul, doe even normaal. Het idee om dat aan Ashworth en het team te moeten uitleggen!

Christina Flood, de psychologe, was aan de telefoon. Op de achtergrond klonk het geluid van een fluit waarop iets Keltisch en droefgeestigs werd gespeeld.

‘Ik heb de informatie opgedoken waarnaar u vroeg. U mag die wat mij betreft nu komen halen. Ik weet dat het laat is, maar wij slapen tegenwoordig als de baby slaapt, en zij is beslist een nachtbraker. De eerste uren gaan we nog niet naar bed.’

Het was heel verleidelijk, maar toen Vera naar de lege fles op de vensterbank keek, besloot ze dat het beter was om het maar niet te doen. Sommige regels kon ze niet zomaar aan haar laars lappen.

‘Vanavond kan ik niet,’ zei ze. ‘Ik heb een paar glazen wijn op. Te veel om nog in de auto te stappen.’

Christina was verrassend vasthoudend. ‘En als wij het nu eens bij u langs brengen? Anders hebt u het maandag pas. We gaan een weekendje weg; pronken met onze spruit bij adorerende grootouders.’

‘Zou u dat echt willen doen?’

‘Natuurlijk. We zijn klaarwakker met z’n allen. Patrick en de baby willen spelen.’

Vera begon al te denken dat ze toch niet meer kwamen want het liep tegen middernacht toen ze eindelijk de koplampen op het huis af zag komen. Ze liep naar buiten om hen op te vangen, bedacht dat ze misschien waren verdwaald en zeker zouden willen weten dat ze eindelijk het goede adres hadden gevonden. Ze reden in een blauw busje, beschilderd met the music man in oranje verf op de zijkant. Christina putte zich uit in verontschuldigingen.

‘Mijn auto wilde niet starten. De accu deed niets meer. Dus moesten we Patricks wagen nemen.’

‘Ik ben blij dat het toch is gelukt.’

‘Graag gedaan. We hebben genoten van de rit. Vooral de baby.’

‘Wij gaan een stukje wandelen,’ zei Patrick. ‘Dan kunnen jullie even rustig praten.’

‘Dat is nergens voor nodig.’

‘Maar dat willen we graag,’ zei hij. ‘We hebben nog nooit in het maanlicht gewandeld.’

Hij liep de laan af met de baby in een draagdoek op zijn rug en verdween in de donkere schaduw van het oude huis van de stationschef.

‘Zijn jullie het al eens geworden over een naam voor haar?’ vroeg Vera.

‘Miranda. Dramatisch genoeg voor Patrick, maar niet al te buitenissig.’

Ze gingen aan de keukentafel zitten met een kop thee. Christina’s papieren zaten in een grote archiefdoos: stenoblocnotes met snel neergekrabbelde aantekeningen van elke bijeenkomst van de groep en fotokopieën van bladzijden uit patiëntendossiers.

‘Die heb ik nodig omdat ik in mijn aantekeningen vaak alleen voornamen of initialen gebruik, en na al die tijd kan ik me de achtergrond van iedere patiënt afzonderlijk echt niet meer herinneren. Maar de kwestie van vertrouwelijkheid zit me nog steeds dwars. Ik heb elke groep beloofd dat niets van wat er werd gezegd ooit naar buiten zou komen.’ Ze aarzelde. ‘Hoor eens, het lijkt me het best als u eerst de notities leest. Op die manier blijven de personen in kwestie anoniem. Als u iets tegenkomt dat voor u van belang zou kunnen zijn, kunnen we eventueel hun identiteit erbij zoeken.’

‘Zou het niet makkelijker zijn als u me een lijst geeft van de patiënten die in dezelfde groep zaten als Bella en Edmund? Dan kan ik kijken of daar een naam tussen staat die ik herken.’

Christina aarzelde even en koos haar woorden zorgvuldig. ‘Dat is misschien simpeler, maar ik geloof niet dat u daar iets aan zou hebben.’

‘Bedoelt u dat er iets van betekenis in die notitieboekjes staat?’

‘Ik vind dat u die moet lezen.’

Dus begon Vera te lezen. Bella en Edmund hadden deel uitgemaakt van de allereerste groep. Christina had elke sessie nauwkeurig beschreven. Naar Bella werd verwezen met haar voornaam en naar Edmund met zijn initialen. In het begin was het duidelijk dat Christina teleurgesteld was over het functioneren van de groep. Ze had zelfs overwogen om met het hele project te stoppen. Een mannelijke patiënt domineerde elke discussie. Hij sprak voortdurend over zijn destructieve verhouding met zijn moeder. Die was overbezorgd geweest en was elke keer dat hij bij haar weg had willen gaan ziek geworden. De andere patiënten waren te beleefd of te onverschillig om hem het zwijgen op te leggen. Het verbaasde Vera dat niemand hem een dreun had verkocht.

Pas in de derde sessie was er sprake geweest van enige vooruitgang, en Edmund was degene geweest die toen zijn mond had opengedaan. Christina had zijn exacte woorden genoteerd.

‘Godallemachtig, denk je nou echt dat jij de enige bent die een klotejeugd heeft gehad? Heb je Larkin nooit gelezen?’

En toen had hij nijdig over zijn leven op Holme Park verteld, over de moeder die het altijd te druk had gehad met haar sociale leven en haar oudste zoon om hem aandacht te schenken, de stoet incompetente kinderjufs, hoe weinig hij had gemogen en hoe vreselijk hij zich had verveeld. ‘Er was er maar één die iets om me gaf, en die werd door de rest als oud vuil behandeld. Alleen maar omdat ze niet zo best kon lezen en schrijven.’

Nancy Deakin, dacht Vera. En ze heeft tot aan het eind om hem gegeven.

Dat had een meer algemene discussie op gang gebracht. Anderen waren met hun eigen onzekere verhalen gekomen. Er werd gezinspeeld op mishandeling en intimidatie. Een van de vrouwen was opgegroeid in de overtuiging dat haar moeder haar zus was. De vader van een andere patiënt was voor de trein gesprongen.

Erg opbeurend allemaal, dacht Vera. Ze hoopte dat Christina gelukkig was in haar werk.

Tot de vijfde sessie vond ze geen enkele bijdrage van Bella. Toen had ze, aangemoedigd door Edmund, met wie ze al bevriend was geraakt, het verhaal van de dood van haar vader verteld. Het was grotendeels wat Vera had verwacht. Ze had zich altijd schuldig gevoeld om Charles; zij had tenslotte kans gezien om het ouderlijk huis een tijdlang te ontvluchten, ze had vrienden kunnen maken en had werk gevonden dat ze leuk vond. En Alfred Noble had haar nooit geslagen. Hij had zijn frustratie altijd op de jongen afgereageerd. Na haar terugkeer naar het ouderlijk huis had Bella’s broertje de druk genadeloos opgevoerd.

In haar notitieboekje had Christina opgeschreven hoe Bella haar verhaal deed en hoe de anderen reageerden.

Het was opmerkelijk. Tot het moment dat Edmund haar had overgehaald om te praten, was Bella altijd een passieve deelnemer aan de groep geweest. Ze had af en toe anderen gesteund, maar nooit aandacht voor zichzelf geëist. Nu leek het alsof ze niet meer kon ophouden met praten en ze ging zelfs midden in de kring staan. Ze begon uit te beelden hoe de aanval was verlopen waarbij haar vader werd gedood. Ze begon met het telefoontje van haar broer en eindigde met haar arm geheven om het zware bronzen beeld op zijn schedel te laten neerkomen. Ze was in tranen en zei dat ze voor moord aangeklaagd had moeten worden in plaats van voor doodslag. Ze had hem met voorbedachten rade vermoord. De groep verdrong zich om haar heen om haar te steunen.

Vera keek vluchtig op van het notitieblok. ‘Ze had gewoon weg kunnen gaan. Weer les kunnen gaan geven. Ze voelde zich verantwoordelijk.’

‘Ja.’

‘Vind u het terecht dat ze met doodslag is weggekomen?’

‘Denkt u dat dat het geval is?’ Christina stond op en rekte zich uit. ‘Zal ik nog wat thee zetten?’

Toen ze terugkwam met de mokken was Vera verdiept in de notities. Ze zat met een diepe frons op haar voorhoofd over de tafel gebogen. Een poos later keek ze woest op terwijl ze het notitieblok naar de psychologe toe schoof.

‘Waarom hebt u daar toentertijd niets aan gedaan?’

‘Omdat ik het niet geloofde.’

‘Kwam het verhaal u dan niet bekend voor?’

‘Natuurlijk wel. Maar het was niet ongewoon. De patiënt had een aantal psychotische fantasieën beleefd, had zich bijvoorbeeld verbeeld beroemd te zijn. De fantasieën waren ingegeven door gebeurtenissen in het nieuws, films, zelfs soaps. Later zijn we erin geslaagd om haar aanvallen in de hand te houden, maar op dat moment kon niet van mij worden verwacht dat ik het verhaal serieus zou nemen.’

‘Hoe reageerde de rest van de groep?’

‘Zij geloofden het niet. Ze waren meelevend, maar sceptisch.’

‘Hoe denkt u er nu over? Gelooft u dat het waar kan zijn geweest?’

‘Ik vind het vergezocht, maar ik vond dat u er recht op had om te weten wat er toen is gezegd. Daarom ben ik hier.’

‘Neem me niet kwalijk.’ Vera stond op en liep naar het raam. Het licht van de volle maan verlichtte het weiland. Het silhouet van Patrick en de baby stond ertegen afgetekend.

‘Kan die aandoening weer de kop opsteken na een periode van normaliteit?’

‘Dat zou u bij een psychiater moeten navragen, maar het zou me niets verbazen. Gelooft u dat dat hier het geval is?’

‘U dan niet?’

‘Dat weet ik eigenlijk niet,’ zei Christina. ‘Uit oogpunt van overleving zijn deze moorden heel logisch. In die zin is er geen sprake van krankzinnigheid.’

‘Nou, dat zal ik niet hoeven uitmaken. Godzijdank niet.’ Vera draaide zich weer met haar gezicht naar het vertrek. ‘U zult me de aantekeningen over de patiënt moeten laten zien. Ik hoop dat u dat beseft. Ik moet weten wie die gestoorde is. Als het al om een gestoorde gaat.’

Christina aarzelde even. Door het open raam hoorden ze voetstappen op de laan toen Patrick kwam aanlopen. Hij zong voor de baby. Een of ander slaapliedje.

‘Godallemachtig,’ fluisterde Vera fel. ‘Uitgerekend u kunt dit niet zomaar laten lopen.’

‘Nee.’ Christina haalde een enkel velletje papier uit haar archiefdoos en legde het op de tafel. Ze liep naar buiten, Patrick tegemoet. Toen ze samen binnenkwamen, lag het velletje papier weer in de doos en stond Vera te bellen. De baby sliep, haar mondje iets open, haar hoofdje naar achteren gebogen. Vera legde de hoorn neer.

‘Gaat u tot arrestatie over?’ vroeg Christina.

‘Nog niet. Zoals u al zei: het verhaal is te vergezocht om zonder bewijzen te accepteren. Maar er zullen geen moorden meer volgen, hoop ik.’

Ze liep met hen mee naar het busje. Het maanlicht begon net plaats te maken voor de schemering voor zonsopgang. Aan de horizon was een bleekgrijze gloed te zien. In de verte begon een merel te zingen.

‘Het was een obsessie, nietwaar?’

‘Ja.’ Christina hield Miranda op haar ene arm en liet haar zonder haar wakker te maken in het babystoeltje glijden. ‘Als we gelijk hebben, was het dat zeker.’

Lokvogel
titlepage.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_000.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_001.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_002.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_003.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_004.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_005.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_006.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_007.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_008.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_009.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_010.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_011.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_012.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_013.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_014.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_015.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_016.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_017.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_018.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_019.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_020.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_021.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_022.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_023.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_024.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_025.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_026.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_027.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_028.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_029.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_030.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_031.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_032.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_033.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_034.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_035.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_036.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_037.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_038.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_039.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_040.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_041.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_042.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_043.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_044.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_045.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_046.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_047.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_048.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_049.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_050.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_051.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_052.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_053.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_054.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_055.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_056.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_057.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_058.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_059.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_060.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_061.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_062.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_063.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_064.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_065.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_066.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_067.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_068.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_069.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_070.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_071.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_072.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_073.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_074.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_075.xhtml
awb - lokvogel-ebook_split_076.xhtml